Als je al jong hebt geleerd om alert te zijn, kan overleven zo vanzelfsprekend worden dat je gaat denken dat er iets mis is met jou.
Misschien herken je het wel.
Je wilt iets doen, maar het lukt niet om in beweging te komen. Je bent moe, raakt snel overweldigd of stelt dingen uit. En ergens in je hoofd klinkt dan die bekende stem: ik moet gewoon wat meer doorzetten. Ik ben lui. Ik stel me aan. Andere mensen kunnen dit toch ook gewoon?
Bij mensen met vroegkinderlijk trauma, complex trauma of langdurige onveiligheid zie ik dit regelmatig terug. Niet omdat deze mensen te weinig wilskracht hebben, maar juist omdat er vaak al zo ontzettend veel van hun systeem gevraagd wordt.
Wat eruitziet als een gebrek aan motivatie of doorzettingsvermogen, kan van binnen heel iets anders zijn.
Als onveiligheid er altijd al is geweest
Bij vroegkinderlijk trauma begint de onveiligheid vaak zo vroeg dat je jezelf nauwelijks een leven zonder die onveiligheid kunt voorstellen.
Je hebt niet eerst een periode gehad waarin je je volledig veilig voelde en daarna geleerd om alert te zijn. Je zenuwstelsel heeft zich juist ontwikkeld terwijl alertheid, spanning, angst of aanpassen onderdeel waren van je omgeving.
Daardoor kan het op een gegeven moment voelen alsof het gewoon bij jou hoort.
Zo ben ik nu eenmaal.
Ik ben gewoon snel angstig.
Ik heb weinig discipline.
Ik kan niet goed tegen stress.
Ik ben niet sterk genoeg.
Ik moet mezelf gewoon wat meer bij elkaar rapen.
Maar wanneer je kijkt vanuit trauma en het zenuwstelsel ontstaat er een ander perspectief.
Het gaat niet per se over wie jij bent. Het gaat ook over wat jouw lichaam heel vroeg heeft moeten leren.
Je zenuwstelsel heeft leren overleven
Ons zenuwstelsel is voortdurend bezig met het inschatten van veiligheid en gevaar. Wanneer je in je jeugd veel onveiligheid hebt ervaren, kan je systeem extra gevoelig worden voor signalen die mogelijk op gevaar wijzen.
Dat gebeurt grotendeels automatisch.
Een blik, een toon, een situatie, een verwachting, een conflict, een verandering of zelfs een bepaalde gedachte kan al voldoende zijn om je zenuwstelsel te activeren.
Je hoofd kan ondertussen denken: er is toch niets aan de hand?
Maar je lichaam kan iets anders vertellen.
Je voelt spanning. Je hartslag gaat omhoog. Je ademhaling verandert. Je spieren spannen zich aan. Je wordt onrustig, angstig of juist heel moe. Misschien krijg je hoofdpijn of migraine, raak je overprikkeld of merk je dat je behoefte hebt om je terug te trekken.
Dat is geen kwestie van onvoldoende wilskracht.
Je lichaam reageert op wat het heeft geleerd.
Overlevingsmechanismen kosten ontzettend veel energie
Wanneer je zenuwstelsel vaak in een staat van alertheid verkeert, ben je eigenlijk voortdurend bezig met overleven.
Je systeem is aan het scannen:
Is het veilig?
Wat verwacht de ander van mij?
Doe ik het wel goed?
Kan ik dit aan?
Moet ik me aanpassen?
Moet ik harder mijn best doen?
Gaat er iets mis?
Ook wanneer je daar niet bewust over nadenkt, kan je lichaam voortdurend bezig zijn met deze processen.
Dat kost energie. Heel veel energie. Overleven is topsport.
Langdurige stress en voortdurende activatie van het stresssysteem kunnen bovendien invloed hebben op herstel, slaap, concentratie, stemming en verschillende lichamelijke processen. Het kan samengaan met lichamelijke klachten zoals vermoeidheid, hoofdpijn of migraine, gespannen spieren, hyperventilatie, spijsverteringsproblemen en andere stressgerelateerde klachten.
Dat betekent niet dat iedere lichamelijke klacht door trauma wordt veroorzaakt. Wel kunnen langdurige stress en ontregeling van het zenuwstelsel een belangrijke rol spelen bij hoe je lichaam functioneert en hoe je klachten ervaart.
Je kunt weten dat je veilig bent, zonder dat je lichaam dat voelt
Een van de lastigste dingen bij vroegkinderlijk trauma is misschien wel dat je rationeel kunt begrijpen dat je nu veilig bent, terwijl je lichaam daar nog niet volledig in mee kan gaan.
Je weet bijvoorbeeld dat je volwassen bent.
Je weet dat je niet meer afhankelijk bent van je ouders.
Je weet dat je huis veilig is.
Je weet dat je werkgever niet boos op je is.
Je weet dat een ander niet werkelijk gevaarlijk is.
En toch kan je lichaam reageren alsof er iets misgaat.
Dat verschil tussen weten en voelen kan ontzettend verwarrend zijn.
Je kunt jezelf dan ook gemakkelijk gaan veroordelen: ik weet toch dat er niets aan de hand is, waarom doe ik dan zo?
Maar juist daar is trauma-sensitieve therapie zo belangrijk.
Het doel is niet om je lichaam met je hoofd te overtuigen dat het veilig is. Het gaat erom dat je lichaam nieuwe ervaringen kan opdoen waarin veiligheid daadwerkelijk gevoeld en ervaren kan worden.
Het was er misschien altijd al
Bij vroegkinderlijk trauma kan een belangrijk inzicht ontstaan wanneer je terugkijkt naar je jeugd.
Misschien dacht je lange tijd dat je angst, onzekerheid, vermoeidheid of moeite met dingen aangaan pas later is ontstaan.
En dan ontdek je ineens:
Maar ik was als kind eigenlijk ook al zo.
Misschien vond je het toen al spannend om naar school te gaan.
Misschien vond je het moeilijk om van huis weg te gaan.
Misschien was je al heel alert op de stemming van anderen.
Misschien voelde je je vaak angstig zonder goed te begrijpen waarom.
Wanneer je dat gaat zien, kan er iets verschuiven.
Het is dan niet langer alleen: wat is er mis met mij?
Er kan ook ruimte ontstaan voor: wat heeft mijn lichaam eigenlijk al die tijd geprobeerd te doen om mij te beschermen?
Dat is een wezenlijk verschil.
Nee, je bent niet lui
Misschien is dat wel een van de belangrijkste dingen die ik wil meegeven.
Je bent niet per definitie lui omdat je soms niet in beweging komt.
Je hebt niet per definitie te weinig discipline omdat iets je veel moeite kost.
Je hoeft niet automatisch harder je best te doen omdat iets niet lukt.
En je hoeft jezelf niet voortdurend te verbeteren om te bewijzen dat je wél sterk genoeg bent.
Sterker nog: wanneer je al jarenlang met een overactief stresssysteem, angst en overlevingsmechanismen door het leven beweegt, heb je waarschijnlijk juist ontzettend veel kracht ontwikkeld.
Je hebt jezelf aangepast.
Je hebt volgehouden.
Je hebt doorgezet.
Je hebt misschien jarenlang gefunctioneerd terwijl je lichaam ondertussen iets heel anders vertelde.
Ik zeg weleens:
Als trauma met wilskracht op te lossen was, waren er geen getraumatiseerde mensen meer.
Want als er iemand is die weet wat doorzetten is, dan is het vaak juist iemand die al heel lang aan het overleven is.
Je hoeft je kracht niet kwijt te raken
Het doel van traumatherapie is niet dat je ineens niet meer sterk bent.
Ook hoeft het niet zo te zijn dat je alles wat je hebt geleerd om door te gaan moet loslaten.
Die delen van jou die doorgaan, presteren, controleren, aanpassen en verantwoordelijkheid nemen, hebben waarschijnlijk een belangrijke functie gehad. Ze hebben je geholpen om te komen waar je nu bent.
Binnen lichaamsgerichte traumatherapie en delenwerk kijken we daarom niet naar deze patronen als iets wat simpelweg weg moet.
We proberen eerst te begrijpen.
Waar komt dit patroon vandaan?
Waar probeert dit deel jou voor te beschermen?
Wat heeft het nodig?
En is het misschien mogelijk dat er naast overleven ook iets anders ontstaat?
Van harder werken naar meer veiligheid
Herstel van vroegkinderlijk trauma gaat niet alleen over begrijpen wat er in het verleden is gebeurd.
Het gaat ook over leren luisteren naar je lichaam en je zenuwstelsel.
Over herkennen wanneer je systeem in een overlevingsstand terechtkomt.
Over leren voelen wat er werkelijk in je gebeurt.
Over grenzen leren herkennen.
Over ruimte maken voor emoties en lichamelijke signalen.
En over steeds opnieuw ervaren dat je niet voortdurend hoeft te vechten, presteren of jezelf vooruit te duwen.
Dat vraagt niet om nog meer wilskracht.
Het vraagt juist om iets wat voor veel mensen met complex trauma veel moeilijker kan zijn: vertraging, erkenning, zachtheid en veiligheid.
Veiligheid ontstaat meestal niet in één groot moment. Het kan ontstaan in kleine ervaringen waarin je lichaam langzaam leert:
Ik hoef nu niets op te lossen.
Ik hoef mezelf niet te bewijzen.
Ik hoef niet voortdurend alert te zijn.
Ik mag voelen wat er in mij gebeurt.
Ik mag rusten.
Ik ben hier.
Dat is geen luiheid.
Dat is herstel.
Lichaamsgerichte traumatherapie bij vroegkinderlijk trauma
Wanneer trauma diep in je ontwikkeling verweven is geraakt, kan alleen praten over je klachten soms onvoldoende zijn. Je kunt immers heel goed begrijpen waar je patronen vandaan komen, terwijl je lichaam ondertussen op dezelfde manier blijft reageren.
In lichaamsgerichte traumatherapie is er daarom aandacht voor de verbinding tussen lichaam, emoties, gedachten en het zenuwstelsel.
We vertragen.
We onderzoeken wat er in je lichaam gebeurt.
We leren je overlevingsmechanismen herkennen.
We kijken naar de verschillende delen in jou die allemaal hun eigen functie en beschermingsstrategie kunnen hebben.
En we bouwen stap voor stap aan meer veiligheid en regulatie.
Niet door jezelf te forceren, maar door steeds beter afgestemd te raken op wat jij nodig hebt.
Want misschien hoef je uiteindelijk niet iemand anders te worden.
Misschien mag je juist steeds meer ontdekken wat er onder al dat overleven al die tijd aanwezig is geweest.
Herken je jezelf hierin?
Wanneer je jarenlang hebt gedacht dat je te weinig discipline hebt, te gevoelig bent, je aanstelt of gewoon harder je best moet doen, kan het enorm bevrijdend zijn om vanuit een traumaperspectief naar jezelf te leren kijken.
Niet om jezelf overal voor vrij te pleiten.
Wel om te begrijpen dat jouw reacties ergens vandaan komen.
En dat begrijpen kan het begin zijn van iets anders: niet nog harder tegen jezelf vechten, maar leren samenwerken met je eigen lichaam en zenuwstelsel.
Bij Hartevuur werk ik vanuit een lichaamsgerichte en trauma-sensitieve benadering, met aandacht voor het zenuwstelsel, vroegkinderlijk trauma, complex trauma, overlevingsmechanismen en de verschillende delen in jezelf. Herstel begint voor mij niet bij harder je best doen, maar bij werkelijk gaan luisteren naar wat er in jou leeft.
Reactie plaatsen
Reacties