
Leven vanuit je ware ik: wanneer aanpassen je in de weg gaat staan
“Ik heb het idee dat ik niet vanuit mijn ware ik leef.”
Dat zei een cliënt afgelopen week tegen mij. Een eenvoudige zin, maar tegelijkertijd een zin waar veel onder ligt. Want wat betekent het eigenlijk als je het gevoel hebt dat je niet helemaal leeft vanuit wie je werkelijk bent?
Misschien herken je het gevoel. Je doet wat er van je verwacht wordt. Je bent verantwoordelijk, betrokken en je houdt rekening met anderen. Je functioneert op je werk, zorgt voor de mensen om je heen en probeert het goed te doen. Aan de buitenkant lijkt er misschien weinig aan de hand.
En toch kan er vanbinnen iets knagen.
Een gevoel van leegte. Onrust. Vermoeidheid. Het idee dat je vooral aan het doorgaan bent. Dat je wel weet wat anderen nodig hebben, maar minder goed weet wat jij zelf nodig hebt. Of dat je eigenlijk niet goed meer weet wat je zélf wilt.
Soms komt dan de vraag:
Wie ben ik eigenlijk als ik niet steeds bezig ben met wat er van mij verwacht wordt?
We leren onszelf aanpassen
Als kind ben je afhankelijk van de mensen om je heen. Je hebt hen nodig voor veiligheid, verbinding, zorg en erkenning. Je kunt nog niet zelfstandig bepalen hoe je met moeilijke situaties omgaat of simpelweg ergens anders heen gaan als iets niet goed voelt.
Daarom leert een kind zich aanpassen aan de omgeving waarin het opgroeit.
Dat gebeurt niet alleen in gezinnen waarin sprake is van ernstige onveiligheid. Ook subtielere ervaringen kunnen invloed hebben. Wanneer bepaalde gevoelens niet welkom zijn. Wanneer je vooral waardering krijgt als je goed presteert. Wanneer er weinig ruimte is voor boosheid, verdriet, kwetsbaarheid of eigenheid. Wanneer je leert dat je vooral lief, behulpzaam, rustig of sterk moet zijn.
En natuurlijk kunnen er ook veel ingrijpendere omstandigheden zijn, zoals emotionele of fysieke verwaarlozing, mishandeling, afwijzing of langdurige onveiligheid.
Een kind stelt zich dan niet bewust de vraag: “Welke delen van mezelf moet ik wegstoppen om hier te kunnen blijven?”
Het gebeurt vanzelf.
Je leert bijvoorbeeld om je boosheid in te houden. Je wordt heel goed in aanvoelen hoe het met anderen gaat. Je ontwikkelt een sterke behoefte om het goed te doen. Je leert jezelf klein te maken. Je wordt zelfstandig en hebt weinig meer nodig. Of juist heel behulpzaam, zodat je van betekenis bent voor de ander.
Het zijn allemaal manieren waarop een kind probeert om zich staande te houden.
Het aangepaste zelf is geen fout
Wanneer we later last krijgen van deze patronen, zijn we soms geneigd om er kritisch naar te kijken.
Waarom doe ik dit toch steeds?
Waarom kan ik niet gewoon mijn grenzen aangeven?
Waarom vind ik het zo moeilijk om voor mezelf te kiezen?
Waarom ben ik altijd degene die alles regelt?
Maar wat ooit is ontstaan als bescherming, kun je niet zomaar wegredeneren.
Het aangepaste zelf is geen fout.
De delen van jou die zich hebben aangepast, hebben ooit geprobeerd iets voor jou te doen. Ze wilden je beschermen tegen afwijzing, conflict, eenzaamheid, overweldiging of het gevoel er niet bij te horen.
Misschien is er een deel dat heel hard werkt.
Een deel dat altijd vooruit wil.
Een deel dat alles onder controle probeert te houden.
Een deel dat ervoor zorgt dat je voor iedereen klaarstaat.
Een deel dat zich terugtrekt zodra iets te veel wordt.
Of een deel dat ervoor zorgt dat je vooral blijft doorgaan, zodat je niet hoeft te voelen wat er vanbinnen speelt.
Deze delen zijn niet ontstaan omdat er iets mis met je was. Ze zijn ontstaan omdat ze ergens antwoord op waren.
Wanneer bescherming gaat knellen
Het kan alleen gebeuren dat een manier van leven die je vroeger geholpen heeft, later niet meer goed aansluit bij wat je nodig hebt.
Als je bijvoorbeeld hebt geleerd om vooral sterk te zijn, kan het moeilijk worden om hulp te vragen.
Als je hebt geleerd om anderen goed aan te voelen, kan het lastig zijn om nog te weten wat jij zelf voelt.
Als je gewend bent geraakt om jezelf aan te passen, kan een eigen keuze ineens heel spannend voelen.
En als je gewend bent om voortdurend bezig te zijn, kan rust juist onrust oproepen.
Daar kan op een gegeven moment iets gaan knellen en schuren.
Soms merk je dat doordat je steeds vermoeider wordt. Soms doordat je minder plezier ervaart. Soms doordat je vastloopt in werk of relaties. Soms doordat je steeds opnieuw in dezelfde patronen terechtkomt.
En soms is het vooral een moeilijk te benoemen gevoel:
“Mijn leven klopt op papier, maar het voelt niet helemaal als mijn leven.”
Overleven is iets anders dan leven
Overlevingsstrategieën kunnen je heel ver brengen. Ze kunnen ervoor zorgen dat je doorgaat, verantwoordelijkheid neemt en jezelf staande houdt wanneer het moeilijk is.
Maar wanneer je lange tijd vanuit bescherming leeft, kan er ook minder ruimte overblijven voor andere delen van jou.
Voor spontaniteit.
Voor plezier.
Voor verlangen.
Voor rust.
Voor kwetsbaarheid.
Voor grenzen.
Voor nieuwsgierigheid.
Voor werkelijk voelen wat jij nodig hebt.
Dan kan het voelen alsof je vooral bezig bent met het leven goed doen, in plaats van het leven ook werkelijk te ervaren.
En dat betekent niet dat je al je beschermingsmechanismen moet kwijtraken. Integendeel.
Het gaat er niet om dat je een deel van jezelf moet wegmaken omdat het je niet langer dient. Het gaat er eerder om dat je deze delen beter leert begrijpen. Dat je gaat herkennen wanneer ze het overnemen en waarom. En dat er langzaam meer ruimte ontstaat om ook andere kanten van jezelf te ervaren.
Wie ben je onder al die patronen?
Dat is misschien wel een van de mooiste vragen die je jezelf kunt stellen.
Niet: “Hoe word ik eindelijk mijn authentieke zelf?”
Maar:
“Welke delen van mezelf hebben lang weinig ruimte gekregen?”
Misschien ontdek je dat je eigenlijk veel gevoeliger bent dan je jezelf hebt toegestaan.
Of dat je heel duidelijk weet wat je wilt, maar dat je het spannend vindt om daar daadwerkelijk voor te kiezen.
Misschien zit er onder het pleasen een verlangen naar wederkerigheid.
Onder het harde werken een verlangen naar rust.
Onder het jezelf klein maken een behoefte om gezien te worden.
Onder het altijd sterk zijn een deel dat eigenlijk ook gedragen wil worden.
En misschien kom je kanten van jezelf tegen die je lang hebt afgewezen, omdat ze vroeger niet welkom waren.
Daar begint geen proces waarin je een nieuwe versie van jezelf moet worden.
Eerder een proces waarin je jezelf steeds beter leert kennen.
Je hoeft jezelf niet opnieuw uit te vinden
Wat ik zo mooi vind aan het proces van veel van mijn cliënten, is dat er gaandeweg iets verandert in de verhouding tot zichzelf.
Er hoeft niet ineens een compleet ander mens te ontstaan.
Er hoeft ook niet één perfecte, ongeschonden versie van jezelf gevonden te worden.
Er ontstaat ruimte.
Ruimte om te voelen wat er in je leeft.
Ruimte om verschillende kanten van jezelf te leren kennen.
Ruimte om te begrijpen waarom je doet wat je doet.
Ruimte om keuzes te maken die niet alleen gebaseerd zijn op wat anderen nodig hebben.
Ruimte om jezelf serieus te nemen.
En juist vanuit die ruimte kan er steeds meer verbinding ontstaan met wie je werkelijk bent.
Misschien ontdek je dat jouw ware ik niet ergens ver weg verstopt zit.
Misschien is het eerder zo dat er in de loop van je leven steeds meer lagen omheen zijn gekomen. Bescherming, overtuigingen, verwachtingen en patronen die ooit nodig waren.
En onder al die lagen zijn er nog steeds delen van jou die gezien, gevoeld en geleefd willen worden.
Thuiskomen bij jezelf
Voor mij gaat therapie daarom niet over iemand veranderen in een betere versie van zichzelf.
Het gaat ook niet over het wegwerken van klachten of het afleren van alle beschermingsmechanismen.
Het gaat over jezelf steeds beter leren verstaan.
Over begrijpen waarom je geworden bent wie je bent.
Over herkennen wat je vroeger nodig had en wat je nu nodig hebt.
Over ruimte maken voor gevoelens en delen van jezelf die misschien lang weinig ruimte hebben gekregen.
En over steeds meer kunnen leven vanuit een volwassen plek waarin je niet voortdurend hoeft te kiezen tussen jezelf en de ander.
Dat is voor mij een vorm van thuiskomen.
Niet omdat je uiteindelijk precies weet wie je “ware ik” is, maar omdat je steeds meer aanwezig kunt zijn bij alles wat er in jou leeft.
En misschien merk je dan op een dag:
Ik hoef mezelf niet meer voortdurend aan te passen om er te mogen zijn.
Ik mag mezelf steeds meer ontmoeten.
Ik mag er zijn.
Precies zoals ik ben.
Wil jij ook meer vanuit jezelf gaan leven?
Wanneer je merkt dat je vooral aan het doorgaan bent, veel rekening houdt met anderen, moeilijk kunt voelen wat jij nodig hebt of steeds opnieuw in dezelfde patronen terechtkomt, kan het helpend zijn om samen te onderzoeken waar deze patronen vandaan komen.
In mijn praktijk Hartevuur werk ik lichaamsgericht, traumasensitief en systemisch. We kijken niet alleen naar je klachten of naar wat je anders zou willen doen, maar juist ook naar wat er onder je patronen ligt. Naar de delen van jou die zich hebben aangepast, naar wat zij nodig hebben en naar de ruimte die er nu mag ontstaan voor meer verbinding met jezelf.
Wil je onderzoeken wat dit voor jou kan betekenen? Je bent welkom voor een vrijblijvend kennismakingsgesprek.
Reactie plaatsen
Reacties